We beschrijven nu vier oefeningen.

  1. Rijden op een ronde 8.
  2. Rijden op een platte 8.
  3. Rijden op een ovaal.
  4. Slalom rijden.

Alle oefeningen vereisen dat de fietser kijkt naar zijn bewegingsdoel, de vereiste beweging voorbereidt, en uitvoert. In alle oefeningen moet de fietser tegensturen om van richting te veranderen. Men krijgt de beste sensorische feedback over het tegensturen door gebruik te maken van handwatten.

 

1. Rijden op een ronde 8

Een ronde 8 met een poortje op de plaats waar een verandering van stuurimpuls vereist is

Deze oefening verloopt in 3 fasen, die zichzelf herhalen. Fase 1 en fase 3 zijn elkaars spiegelbeeld.

  1. Rijden op een cirkel (één helft van de acht) die voldoende klein is zodat het voortdurend tegensturen nét ervaren wordt.
  2. In het midden van de 8 stuurt de fietser van links naar rechts, of omgekeerd (afhankelijk van de rijrichting).
  3. Rijden op het andere deel van de 8.

Voor het veranderen van richting in het midden van de 8 is visuele informatie nodig. Dit visuele aspect kan benadrukt worden door die plaats te markeren met een poortje (twee pylonen). De bijbehorende instructie is de volgende:

  1. Probeer zo lang mogelijk op voorhand naar het poortje te kijken.
  2. Bereid je voor op een verandering van de druk op het stuur (van links naar rechts, of omgekeerd).
  3. Start de verandering van druk vlak voordat je door het poortje rijdt.

Net zoals bij het rijden op een cirkel, is de proprioceptieve feedback een cruciaal onderdeel van deze oefening. Deze feedback kan alleen duidelijk ervaren worden als de handen van de fietser ontspannen op de handwatten liggen. Als de handen eenmaal ontspannen op de handwatten liggen, kan de fietser ze zó verplaatsen dat het tegensturen duidelijker ervaren wordt: de binnenhand vóór de handwat en de buitenhand áchter de handwat. Net voor de richtingsverandering in het midden van de 8 verplaatst de fietser zijn handen zó dat het tegensturen in de andere richting ingezet kan worden.

Sommige fietsers blijven de indruk hebben dat ze niet tegensturen. Ga hierover niet in discussie, maar probeer de fietser het tegensturen te laten ervaren. Dit kan op dezelfde manier als beschreven bij het rijden op een cirkel. We passen deze instructie hier aan aan de huidige oefening:

  1. Laat de fietser op één van de twee delen van de 8 rondjes rijden. Vergeet voorlopig de richtingsverandering in het midden.
  2. Vraag de fietser om een snelheid aan te nemen die hoog genoeg is om de handen ontspannen op de handwatten te kunnen leggen.
  3. Vraag de fietser om geleidelijk zijn handen zó te verschuiven dat hij het stuur alleen naar binnen kan draaien (binnenhand achter de handwat en de buitenhand ervoor). De fietser zal ervaren dat het onmogelijk is om op deze manier de bocht te rijden.
  4. Vraag de fietser daarna om tegen te sturen met de binnenhand vóór de handwat en de buitenhand erachter. Hij zal ervaren dat hij zo de bocht wél kan rijden.
  5. Als de fietser het tegensturen ervaart, vraag hem dan om in het midden van de 8 van richting te veranderen.

De moeilijkheidsgraad van deze oefening hangt af van de doormeter van de twee cirkels die samen de acht vormen: hoe kleiner de doormeter, hoe moeilijker de oefening. Immers, hoe kleiner de doormeter, hoe lager de snelheid, en hoe instabieler de fiets. Daarom beginnen we deze oefening altijd met grote cirkels, en verkleinen stelselmatig hun doormeter.

Het rijden op een ronde 8 is een uitstekende oefening in het plannen en uitvoeren van het veranderen van richting. Dit komt door de duidelijke overgang van het sturen naar links naar het sturen naar rechts. Rijden op een ronde 8 is echter niet representatief voor het rijden van bochten op de openbare weg. Op de openbare weg rijdt men meestal op een recht weggedeelte voordat men in de bocht komt. Dit betekent dat in de uitgangssituatie (het rechte weggedeelte) beide handen op de handwatten gelegd kunnen worden, en dat bij de overgang naar de bocht de druk verplaatst wordt naar het binnenhandvat. Een dergelijke situatie kan men oefenen op een platte 8.

 

2. Rijden op een platte 8

Een platte 8 met poortjes op de plaatsen waar een verandering van stuurimpuls vereist is

Het belangrijke verschil met het rijden op een ronde 8, is dat men op de platte 8 eerst een stuk rechtdoor rijdt (in het middengedeelte van de platte 8) voordat men de bocht instuurt. Tijdens dit stuk rechtdoor liggen beide handen op de handwatten en is de druk op beiden even groot. Tijdens het insturen en tijdens de bocht is de druk op de binnenhandwat groter. Op het einde van de bocht  heeft men nog steeds meer druk op het binnen- dan het buitenhandvat. Omdat men na de bocht weer rechtdoor moet rijden, moet de fiets weer rechtop komen. Bij voldoende snelheid komt de fiets vanzelf overeind als men niet langer op het binnenhandvat drukt.

Net als bij de ronde 8, is het veranderen van richting gebaseerd op visuele informatie. Dit visuele aspect kan benadrukt worden door de plaatsen waar een andere stuurimpuls vereist is te markeren met een poortje (twee pylonen).

De moeilijkheidsgraad van deze oefening hangt af van de doormeter van de bochten op de uiteinden van de platte 8:

  1. Hoe kleiner deze doormeter, hoe lager de snelheid, en hoe instabieler de fiets.
  2. Hoe kleiner deze doormeter, hoe meer men hoofd en (eventueel) bovenlichaam moet draaien om door de bocht te kunnen kijken (i.e., naar het poortje bij het verlaten van de bocht).

Daarom beginnen we deze oefening altijd met bochten met een grote doormeter, en verkleinen deze stelselmatig.

Rijden op een platte 8 is uitstekend te combineren met rechtdoor rijden met gedraaid hoofd en bovenlichaam. Op de rechte stukken van de platte 8, in plaats van de binnenhand van het handvat af te nemen (zoals bij het rechtdoor rijden met gedraaid hoofd en bovenlichaam), laat men de hand nu liggen. Men behoudt echter de druk op het buitenhandvat ter compensatie van het gedraaide bovenlichaam. Als men bij het poortje komt, dan verschuift de druk van het buiten- naar het binnenhandvat, waardoor de bocht ingezet wordt.

 

3. Rijden op een ovaal

Een ovaal met poortjes op de plaatsen waar een verandering van stuurimpuls vereist is

Rijden op een ovaal is een vervolg op het rijden op een platte 8. Rijden op een ovaal benadert nog beter het sturen op de openbare weg. Voor het rijden op een ovaal wordt dezelfde techniek gebruikt als het rijden op een platte 8:

  1. Op de stukken die je rechtdoor moet rijden, liggen beide handen op de handwatten en is de druk op beiden even groot.
  2. In de bochten (tussen de twee poortjes die een bocht markeren) is de druk op de binnenhandwat groter.

Om dezelfde reden als bij het rijden op een platte 8, hangt de moeilijkheidsgraad van deze oefening vooral af van de doormeter van de bochten op de uiteinden van de ovaal. Daarom beginnen we deze oefening altijd met bochten met een grote doormeter, en verkleinen deze stelselmatig.

Net zoals bij rijden op de platte 8, is ook rijden op een ovaal is uitstekend te combineren met rechtdoor rijden met gedraaid hoofd en bovenlichaam. De hiermee verworven vaardigheid komt goed van pas als men op een openbare weg wil oversteken en verder rijden in de tegenovergestelde richting.

 

4. Slalom rijden

Slalom
Slalom rijden is een vervolgoefening op het rijden op een platte 8 en een ovaal. Voor het slalom rijden gebruikt men dezelfde techniek als het rijden op een platte 8 of een ovaal:

  1. Op de stukken die men rechtdoor moet rijden, liggen beide handen op de handwatten en is de druk op beiden even groot.
  2. In de bochten (tijdens het ronden van de pylonen) is de druk op de binnenhandwat groter.

De moeilijkheidsgraad van een slalom hangt af van twee factoren:

  1. De afstand tussen de pylonen.
  2. De scherpte van de hoek die men moet maken om van de ene naar de andere pylon te rijden.

We beginnen deze oefening altijd met grote afstanden tussen de pylonen en een flauwe hoek om de pylonen.

De slalom is bij uitstek geschikt voor het oefenen van motorische voorbereiding, en dit is des te meer het geval naarmate de hoeken om de pylonen meer van elkaar verschillen. Concreet, voor het oefenen van motorische voorbereiding, bouw je een slalom met zowel scherpe als flauwe hoeken om de pylonen. De verschillen tussen de hoeken zorgen ervoor dat de fietser niet alleen de volgende pylon moet bekijken, maar ook de daaropvolgende. De fietser moet immers de positie van twee pylonen weten om de scherpte van zijn bocht te kunnen bepalen.

In vergelijking met de platte 8, heeft de slalom het nadeel dat hij een begin- en een eindpunt heeft. Je kunt hem dus niet eindeloos op hetzelfde traject blijven rijden. Omdat juist de herhaling ervoor zorgt dat de vaardigheid toeneemt, is het goed om na het beëindigen van de slalom weer naar het beginpunt te rijden (over een rechte lijn), en de slalom nogmaals te rijden, etc.