Net zoals elke andere motorische vaardigheid, wordt de fietsvaardigheid alleen beter als men regelmatig oefent. Het vaak herhalen van dezelfde oefening is echter saai. Dat geldt niet alleen voor senioren die hun fietsvaardigheid op peil willen houden, maar ook voor topsporters die aan hun techniek werken.

Omdat er een risico is op opgeven, is het van belang om de motivatie van een oefenende fietser op peil te houden. Er zijn drie manieren waarop een fietsdocent dit kan doen:

  1. Uitleggen wat het doel van de oefening is.
  2. De oefening zo opbouwen dat de fietser duidelijke sensorische feedback krijgt over de mate waarin hij de oefening correct uitvoert.
  3. De fietser een beloning laten ervaren bij een bepaalde prestatie.

Deze drie manieren om de fietser te motiveren worden nu meer in detail besproken, en ze worden geïllustreerd aan de hand van een oefening op overeind blijven. De precieze details van deze oefening zijn alleen van belang om concreet te maken wat bedoeld wordt met “Uitleg, feedback en beloning”. Het is nuttig om de oefeningen op overeind blijven eerst door te nemen voordat men verder leest.

 

1. Uitleg van het doel van een oefening

De uitleg van het doel van een oefening moet mondeling gegeven worden op de oefenlocatie, en hij moet zo nodig herhaald worden. Daarom moet deze uitleg kort zijn, en hij moet bestaan uit standaard zinnen. Voor de oefeningen op overeind blijven, is dit een mogelijk uitleg:

We gaan nu een oefening doen waarin je leert om je evenwicht te bewaren door je stuur te voelen. Deze vaardigheid is zeer nuttig, want ons evenwichtsorgaan wordt slechter naarmate we ouder worden. Daarom komt een alternatieve manier om ons evenwicht te bewaren (door te voelen) goed van pas.

 

2. Sensorische feedback

Sensorische feedback houdt in dat de fietser ervaart in welke mate hij een oefening correct uitvoert. Sensorische feedback verschilt van verbale feedback: sensorische feedback ervaart men zelf via de zintuigen, en verbale feedback krijgt men van iemands anders (i.c., een fietsdocent) die observeert hoe een fietser een oefening doet. Het grote voordeel van sensorische in vergelijking met verbale feedback is dat de fietser niemand anders nodig heeft om vast te stellen hoe goed hij een oefening uitvoert. Een fietsdocent kan natuurlijk wel een belangrijke bijdrage leveren door uit te leggen hoe men die sensorische feedback het beste kan ervaren en wat men ervan kan leren.

Voor de oefeningen op overeind blijven, is de belangrijkste sensorische feedback proprioceptief: als de fietser geen druk meer voelt van de handvatten, dan is de fiets in evenwicht. Door gebruik te maken van de zachte handwatten wordt deze proprioceptieve feedback gedoseerd; door het zachte materiaal kunnen ook kleine drukverschillen waargenomen worden. Deze gedoseerde proprioceptieve feedback is beter te gebruiken dan de alles-of-niet feedback van de harde handvatten.

Om nuttige proprioceptieve feedback te ervaren is er afwisseling nodig tussen veel en weinig druk op de handwatten. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden in een oefening waarin de fietser vanuit stilstand in een rechte lijn van plaats A naar plaats B fietst, en daar stopt. Op dit rechte traject staan vijf pylonen, een blauwe, twee gele en twee rode, en in deze volgorde: blauw, geel-1, rood-1, rood-2 en geel-2. De instructie bij deze oefening is als volgt:

  1. Vanuit stilstand bij de blauwe pyloon en met ingeknepen handwatten, kom op snelheid.
  2. Bij pion geel-1 moeten de handwatten ontspannen zijn, en je handen moeten er zachtjes op liggen.
  3. Tussen rood-1 en rood-2, rijd met de handen een paar centimeter boven de handwatten.
  4. Bij de tweede gele pion, begin met remmen en kom tot stilstand.
Op snelheid komen, met losse handen rijden, en stoppen

3. Beloning ervaren

Mensen ervaren een beloning bij het leveren van een bepaalde prestatie. Het ervaren van een beloning vereist dat de prestatie gekwantificeerd kan worden, want alleen dan is duidelijk of een bepaalde prestatie geleverd is of niet. Voor de eerder beschreven oefening kan de prestatie gekwantificeerd worden als de afstand tussen pionnen. Concreet,
  1. Men is beter in het op snelheid komen naarmate de afstand tussen de blauwe en de eerste gele pion afneemt.
  2. Men is beter in het behouden van het evenwicht naarmate de afstand tussen de twee rode pionnen toeneemt.
Om het ervaren van een beloning mogelijk te maken moeten deze afstanden aangepast worden in de loop van de oefening. De mate waarin de afstanden aangepast worden en het tijdstip waarop dit gebeurt wordt individueel bepaald: als een fietser bepaalde afstanden bijna altijd probleemloos haalt, dan is het tijd om de moeilijkheidsgraad te verhogen. De inschatting hiervan gebeurt door de fietsdocent.